ECLI:NL:RBBRE:2008:BC9508
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering aftrek lijfrentepremies na overdracht onderneming aan werkmaatschappij
Belanghebbende en zijn partner brachten hun maatschapsaandeel met terugwerkende kracht in persoonlijke holdings in, die vervolgens hun aandelen in de maatschap overdroegen aan een gezamenlijke werkmaatschappij. De inspecteur weigerde de aftrek van lijfrentepremies omdat niet voldaan werd aan de wettelijke voorwaarden van artikel 3.126, eerste lid, onderdeel 2, Wet IB 2001, noch aan de voorwaarden van het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën.
Belanghebbende stelde dat de aftrek mogelijk was op grond van artikel 3.129 in combinatie met artikel 3.126 Wet IB 2001, of omdat sprake zou zijn van een reëel geval. Ook werd een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank oordeelde dat de overdracht aan de werkmaatschappij als een overdracht aan een derde moet worden gezien, waardoor de aftrek niet toekomt.
Verder stelde de rechtbank dat het Besluit CPP2001/794M alleen van toepassing is indien de overdracht geschiedt tegen uitreiking van uitsluitend gewone aandelen met een afrondingscreditering die niet hoger is dan de nominale waarde van een aandeel. Dit was hier niet het geval, waardoor het Besluit niet van toepassing was.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat het onderhavige geval niet feitelijk en rechtens gelijk is aan situaties waarin wel aan de voorwaarden wordt voldaan. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van aftrek van lijfrentepremies wordt ongegrond verklaard.