ECLI:NL:RBBRE:2008:BE9081
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling waardering onroerende zaken en vertrouwensbeginsel in vermogensbelasting 2001
Belanghebbende is eigenaar van meerdere panden die tot de rendementsgrondslag van box 3 behoren. De kern van het geschil betreft de juiste waardering van deze panden per 1 januari en 31 december 2001. Belanghebbende stelt dat de WOZ-waarden, verhoogd met indexatie, als uitgangspunt dienen, gebaseerd op een afspraak uit een boekenonderzoek voor de aanslagen vermogensbelasting 1998 en 1999.
De inspecteur heeft de waarden echter hoger vastgesteld, gesteund op taxatierapporten van een onafhankelijke taxateur. De rechtbank acht de taxaties zorgvuldig en overtuigend, mede omdat belanghebbende niet heeft meegewerkt aan inpandige taxatie. Het beroep op een te honoreren vertrouwen uit de afspraak in het boekenonderzoek wordt afgewezen, omdat deze afspraak uitsluitend voor 1998 en 1999 gold en niet voor latere jaren.
Ook het beroep op vertrouwen uit een mediationgesprek wordt verworpen. De rechtbank oordeelt dat er geen bindende afspraak tot stand is gekomen en dat de mediator slechts in zijn rol als mediator optrad, niet als inspecteur. Daarnaast is de aanslag tijdig opgelegd en is de heffingsrente terecht vastgesteld. Het beroep wordt gedeeltelijk gegrond verklaard wegens niet tijdig uitspraak op bezwaar over heffingsrente, maar voor het overige ongegrond. De inspecteur wordt veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht wordt aan belanghebbende vergoed.
Uitkomst: De aanslag wordt gehandhaafd met de door de inspecteur vastgestelde waarden; het beroep op vertrouwen wordt afgewezen, maar het beroep tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar tegen heffingsrente wordt gegrond verklaard.