ECLI:NL:RBBRE:2008:BG9681
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fiscale kwalificatie woning als ondernemingsvermogen bij staking onderneming
De vader van belanghebbende dreef sinds 1950 een onderneming gevestigd in schuren achter de ouderlijke woning. In 1959 kocht vader de woning met schuren en rekende het geheel tot zijn ondernemingsvermogen. In 1988 ging belanghebbende een vennootschap onder firma aan met zijn vader, waarbij de onderneming inclusief de onroerende zaak werd ingebracht. Na het overlijden van vader zette belanghebbende de onderneming voort als eenmanszaak en staakte deze in 2003, waarna hij de schuren verkocht.
De kern van het geschil betrof de fiscale kwalificatie van de woning: of deze tot het ondernemingsvermogen behoorde of tot het privévermogen. Belanghebbende stelde dat de woning vanaf 1959 privévermogen was en dat sprake was van onjuiste etikettering. De inspecteur handhaafde dat de woning ondernemingsvermogen was en bracht heffingsrente in rekening.
De rechtbank oordeelde dat de woning als splitsbaar pand dienstbaar was aan de bedrijfsuitoefening, mede door de ligging en bereikbaarheid van de schuren via de woning. Zowel vader als belanghebbende hadden terecht gekozen de woning tot het ondernemingsvermogen te rekenen. Van onjuiste etikettering was geen sprake en de gemaakte keuze kon niet worden herroepen bij staking. Het beroep werd ongegrond verklaard en de heffingsrente was terecht opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de woning wordt aangemerkt als ondernemingsvermogen waarover bij staking moet worden afgerekend.