ECLI:NL:HR:2007:AZ2845
Hoge Raad
- Cassatie
- F.W.G.M. van Brunschot
- P.J. van Amersfoort
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over vermogensetikettering verhuurde bovenwoningen en keuzevermogen
Belanghebbende, samen met zijn echtgenote eigenaar van een pand met bedrijfsruimte en verhuurde bovenwoning, had de bovenwoning sinds 1990 tot zijn ondernemingsvermogen gerekend. Het Hof Arnhem oordeelde echter dat de bovenwoning verplicht privévermogen was, omdat deze uitsluitend voor verhuur bestemd was en geen functie had binnen de onderneming.
De Hoge Raad stelde vast dat bij de beoordeling van de vermogensetikettering de wil van de belastingplichtige in zijn boekhouding doorslaggevend is, tenzij dit onredelijk is. Gezien de samenhang van de aankoop en financiering van het gehele pand, stond het belanghebbende vrij om de bovenwoning tot zijn ondernemingsvermogen te rekenen.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en verklaarde het beroep van belanghebbende tegen de aanslag ongegrond. Tevens gaf de Hoge Raad aan dat belanghebbende de keuze om de bovenwoning tot het ondernemingsvermogen te rekenen per 1 januari 2001 kan herzien, en dat een navorderingsaanslag in dat kader niet kan worden afgewezen wegens overschrijding van de navorderingstermijn.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het arrest is gewezen door vijf raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2007.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verklaart het beroep van belanghebbende tegen de aanslag ongegrond.