ECLI:NL:RBBRE:2009:BH6902
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank oordeelt over omzetbelastingherziening bij gedeeltelijke vrijgestelde verhuur kantoorpand
Belanghebbende, een ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968, liet een kantoorpand bouwen dat in 2005 deels belast werd verhuurd. Vanaf 1 mei 2006 werd een deel van het pand vrijgesteld verhuurd, waarna de inspecteur een naheffingsaanslag omzetbelasting oplegde. Belanghebbende stelde dat geen omzetbelasting verschuldigd was vanwege toepassing van een herzieningsregeling uit de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968.
De rechtbank stelde vast dat het pand juridisch één geheel vormt, waarbij bij de eerste verhuur in 2005 sprake was van beschikken voor bedrijfsdoeleinden over het gehele gebouw. Hierdoor kon later geen sprake meer zijn van een levering als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel h, Wet OB. De rechtbank volgde het arrest van de Hoge Raad van 12 september 2008, waarin werd bepaald dat bij gedeeltelijke vrijgestelde verhuur de omzetbelasting herrekend moet worden volgens artikel 15, vierde lid, Wet OB.
Belanghebbende had bezwaar tegen de toepassing van deze herziening, maar de rechtbank oordeelde dat dit verweer niet ontvankelijk was omdat het geen nieuwe feiten betrof en belanghebbende zich hierop had kunnen voorbereiden. De naheffingsaanslag werd gehandhaafd en het beroep ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag omzetbelasting gehandhaafd.