ECLI:NL:RBBRE:2009:BK1246
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing aanmerkelijk belangwinst bij dubbele woonplaats en toepassing belastingverdrag Nederland-België
Belanghebbende, een beeldend kunstenaar, emigreerde in 1992 naar België, verkreeg in 2000 de Belgische nationaliteit en verloor de Nederlandse. In 2001 verkocht hij zijn aandelen in een Nederlandse BV en realiseerde een aanzienlijke aanmerkelijk belangwinst. De inspecteur legde een aanslag op waarbij hij belanghebbende als inwoner van Nederland aanmerkte en de winst belastte.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende feitelijk een dubbele woonplaats had in Nederland en België. Op grond van artikel 4 van Pro het belastingverdrag tussen Nederland en België moest worden bepaald welk land als woonstaat geldt. Omdat het middelpunt van de levensbelangen niet kon worden vastgesteld en belanghebbende in beide landen gewoonlijk verbleef, werd hij geacht inwoner te zijn van het land waarvan hij onderdaan was, namelijk België.
De rechtbank vernietigde de uitspraak op bezwaar, matigde de aanslag en wees de heffing over de aanmerkelijk belangwinst toe aan België. Tevens werd de inspecteur veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank verwierp de stelling van de inspecteur dat er een vaststellingsovereenkomst was gesloten en dat belanghebbende schadeplichtig was wegens rauw terugtrekken uit onderhandelingen. Ook werd de omkering van de bewijslast niet toegepast vanwege disproportionaliteit.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en wijst de heffing over de aanmerkelijk belangwinst toe aan België, vermindert de aanslag en veroordeelt de inspecteur in de proceskosten.