ECLI:NL:RBBRE:2009:BK6108
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toepassing ter beschikkingsstellingsregeling bij gesplitste aankoop van onroerende zaken met vruchtgebruik
Belanghebbende verwierf in 1997 en 1998 de economische blote eigendom van meerdere onroerende zaken van vennootschappen waarin hij een aanmerkelijk belang heeft, waarbij de vennootschappen het vruchtgebruik voorbehouden voor 20 jaar. De inspecteur stelde dat deze vermogensbestanddelen aan de vennootschappen ter beschikking zijn gesteld in de zin van artikel 3.92 van de Wet IB 2001, wat belanghebbende betwistte.
De rechtbank onderzocht de wetsgeschiedenis en concludeerde dat de regeling ook van toepassing is op situaties van gesplitste aankoop, waarbij de vennootschap het vruchtgebruik heeft en de belastingplichtige de blote eigendom. De rechtbank vond geen reden om fiscaal onderscheid te maken tussen deze situatie en andere gevallen van gesplitste aankoop, mede omdat het vruchtgebruik in beide gevallen niet bij belanghebbende berust.
De rechtbank benadrukte dat de ruime uitleg van het begrip 'ter beschikking stellen' in de parlementaire geschiedenis het voorkomen van belastingarbitrage beoogt. Door toepassing van artikel 3.92 wordt voorkomen dat belastingplichtige en vennootschappen op ongewenste wijze winstbestanddelen omzetten in inkomen uit sparen en beleggen.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en handhaafde de aanslag zoals verminderd bij bezwaar. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag wordt gehandhaafd.