ECLI:NL:PHR:2011:BP5688
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ruime uitleg terbeschikkingstellingsregeling bij gesplitste aankoop onroerende zaken
Belanghebbende had in 1997 en 1998 aandelen verworven in de economische blote eigendom van onroerende zaken, terwijl de vennootschappen waarin hij een aanmerkelijk belang had het vruchtgebruik behielden. De vraag was of deze situatie onder de terbeschikkingstellingsregeling van artikel 3.92 Wet IB 2001 valt.
De Rechtbank Breda oordeelde dat ondanks onzekerheid over de toepassing van de regeling in situaties waarin het vruchtgebruik nooit bij de aanmerkelijkbelanghouder berustte, de regeling wel van toepassing is. Dit volgt uit de ruime uitleg die de wetsgeschiedenis voorschrijft en het doel van de regeling om belastingarbitrage te voorkomen.
In cassatie voerde belanghebbende meerdere middelen aan die stelden dat de regeling niet van toepassing is omdat hij nooit eigenaar was van het vruchtgebruik en het begrip 'ter beschikking stellen' een actieve handeling impliceert. De Advocaat-Generaal concludeerde dat de ruime tekst en wetsgeschiedenis juist een brede toepassing beogen, ook op gesplitste aankopen.
De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie ongegrond verklaard, waarmee bevestigd is dat de terbeschikkingstellingsregeling ook geldt voor situaties waarin de aanmerkelijkbelanghouder de blote eigendom bezit en de vennootschap het vruchtgebruik, ook als het vruchtgebruik nooit bij de aanmerkelijkbelanghouder heeft berust. Dit voorkomt ongewenste belastingarbitrage en waarborgt fiscale gelijkheid tussen ondernemers en aanmerkelijkbelanghouders.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende is ongegrond verklaard; de terbeschikkingstellingsregeling is van toepassing op de gesplitste aankoop van onroerende zaken.