ECLI:NL:RBBRE:2010:BL6278
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- C.A.F.M. Stassen
- M.M. de Werd
- R.W. Otto
- Rechtspraak.nl
Toepassing renteaftrekbeperking artikel 10d Vpb bij Belgische moedermaatschappij
Belanghebbende, een Nederlandse vennootschap, is voor 100% eigendom van een Belgische CVA. De inspecteur heeft bij de aanslag vennootschapsbelasting over 2005 een verlies vastgesteld waarbij een bedrag van €194.379 aan rentekosten niet in aanmerking is genomen wegens toepassing van de renteaftrekbeperking van artikel 10d, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Vpb).
Belanghebbende betwist de toepassing van deze regeling, stellende dat de Belgische CVA geen lichaam naar Nederlands recht is en dat de regeling in strijd is met de interest- en royaltyrichtlijn, de vrijheid van vestiging en kapitaalverkeer binnen de EU, en het verdrag Nederland-België. De rechtbank oordeelt dat de CVA wel degelijk een lichaam is omdat de aandelen vrij verhandelbaar zijn, en dat belanghebbende en de CVA samen een groep vormen zoals bedoeld in artikel 10d, tweede lid, Vpb, omdat zij zijn opgenomen in de geconsolideerde jaarrekening.
De rechtbank stelt verder vast dat de renteaftrekbeperking niet in strijd is met de EU-richtlijn omdat het een beperking van aftrek betreft en geen heffing op rente. Ook is er geen sprake van verboden discriminatie of belemmering van de vrijheden binnen de EU. Het verdrag Nederland-België wordt niet geschonden omdat het heffingsrecht over de rente-inkomsten bij België blijft. Het beroep van belanghebbende wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de toepassing van de renteaftrekbeperking van artikel 10d Vpb wordt ongegrond verklaard.