ECLI:NL:RBBRE:2010:BO1083
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- S.A.M.L. Van den Bosch-van de Sande
- Rechtspraak.nl
Vluchtvertraging San Francisco-Amsterdam en compensatie op grond van Verordening 261/2004 versus Verdrag van Montreal
Eisers vorderen compensatie van KLM wegens een vluchtvertraging van ruim 27 uur op de route San Francisco-Amsterdam. Zij baseren hun vordering primair op artikel 7 van Pro Verordening 261/2004, dat een forfaitaire compensatie regelt bij annulering of langdurige vertraging van vluchten. KLM betwist de verplichting tot betaling van deze compensatie bij vertraging en beroept zich op het Verdrag van Montreal, dat een andere regeling voor vertragingsschade bevat.
De rechtbank overweegt dat het Sturgeon-arrest van het HvJ passagiers van vertraagde vluchten een recht op compensatie toekent als zij meer dan drie uur later aankomen, maar dat het Verdrag van Montreal bepalingen bevat die mogelijk in strijd zijn met deze compensatie, met name artikel 29 dat Pro 'non-compensatory damage' uitsluit. De rechtbank constateert dat deze vraag niet eerder door het HvJ is beantwoord en dat het gerechtvaardigd is om prejudiciële vragen te stellen over de verenigbaarheid van artikel 7 van Pro Verordening 261/2004 met artikel 29 van Pro het Verdrag van Montreal.
KLM voert aan dat de vertraging het gevolg was van een technisch defect, een omstandigheid die volgens het HvJ geen buitengewone omstandigheid is die tot disculpatie leidt. De rechtbank oordeelt dat KLM onvoldoende heeft aangetoond dat zij alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging te voorkomen, zodat ook de disculpatiegrond niet slaagt.
De rechtbank besluit de zaak aan te houden en prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ over de verhouding tussen de compensatieregeling van Verordening 261/2004 en het Verdrag van Montreal. Partijen krijgen gelegenheid zich hierover uit te laten. De uitspraak is gewezen door mr. S.A.M.L. Van den Bosch-van de Sande op 20 oktober 2010.
Uitkomst: De zaak wordt aangehouden voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over de verenigbaarheid van artikel 7 van Verordening 261/2004 met artikel 29 van het Verdrag van Montreal.