ECLI:NL:RBBRE:2010:BV0981
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- D. Hund
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanslag en boete inkomstenbelasting handel in verdovende middelen
Belanghebbende werd geconfronteerd met een aanslag inkomstenbelasting en een boetebeschikking over het jaar 1999, gebaseerd op een strafrechtelijk financieel onderzoek naar zijn leidinggevende rol in een organisatie die handelde in verdovende middelen via koffieshops. De inspecteur legde een ambtshalve aanslag op wegens het niet doen van aangifte.
Belanghebbende stelde dat de voordelen uit de handel in verdovende middelen niet mochten worden belast en dat de aanslag buiten de wettelijke termijn was opgelegd. De rechtbank oordeelde dat de aanslag tijdig was opgelegd omdat de vorige gemachtigde van belanghebbende had afgezien van verjaring en de inspecteur binnen een maand na opzegging van deze afspraak de aanslag oplegde.
Verder oordeelde de rechtbank dat de aanslag terecht was gebaseerd op een redelijke schatting van het belastbaar inkomen, mede gebaseerd op bevindingen van de FIOD en het Bureau Financiële Ondersteuning. De boete wegens het niet doen van aangifte werd eveneens als terecht bevestigd, ondanks dat deze in een taal was kenbaar gemaakt die belanghebbende niet begreep.
De rechtbank wees het beroep ongegrond en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag en boete inkomstenbelasting is ongegrond verklaard en de aanslag is terecht en tijdig opgelegd.