ECLI:NL:RBBRE:2011:BR1302
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Belastingrechtelijke beoordeling van vergoeding voor niet-uitoefenen optierechten en loonelementen
Belanghebbende had aan een werknemer, de heer W, een vergoeding van ƒ 3.850.000 toegekend voor het niet-uitoefenen van optierechten. De inspecteur stelde dat slechts ƒ 1.095.000 onbelast was en dat ƒ 2.755.000 een belaste vergoeding voor verrichte werkzaamheden betrof. De rechtbank oordeelde dat de overeenkomst van 6 januari 2000 tot het niet-uitoefenen van optierechten bewust en ondubbelzinnig was aangegaan, en dat de hogere vergoeding deels een belaste tantième- en winstdelingsvergoeding betrof.
De rechtbank stelde vast dat belanghebbende als inhoudingsplichtige terecht was aangesproken, dat het genietingsmoment van de vergoeding 1 april 2000 was, en dat de naheffingsaanslag correct was vastgesteld. Wel werd de heffingsrente verminderd omdat deze te vroeg was berekend. De opgelegde boete wegens opzet werd passend bevonden, maar met 40% verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank veroordeelde de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende en wees het beroep gegrond voor zover het de heffingsrente en boete betrof, maar ongegrond voor het overige. Het hoger beroep dient te worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: De naheffingsaanslag wordt gehandhaafd, de boete en heffingsrente worden verminderd en de inspecteur wordt veroordeeld in de proceskosten.