ECLI:NL:RBBRE:2012:BX4353
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen schadevergoeding ondanks overschrijding redelijke termijn bij WOZ-waarde bezwaar
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning, vastgesteld op €341.000, en stelde een lagere waarde van €330.000 voor. De heffingsambtenaar ondersteunde de vastgestelde waarde met een taxatierapport en vergelijkingsobjecten. De rechtbank oordeelde dat de gehanteerde referentieobjecten voldoende vergelijkbaar waren en dat de vastgestelde waarde niet te hoog was.
Belanghebbende voerde aan dat de heffingsambtenaar niet voldeed aan zijn verplichtingen door geen kopie van de kladmatrix te verstrekken, wat een vormvoorschrift schond. De rechtbank stelde vast dat er wel sprake was van een schending, maar dat dit geen proceskostenvergoeding rechtvaardigde omdat belanghebbende geen verzoek tot overlegging had gedaan en geen informatie was achtergehouden.
Verder stelde belanghebbende dat de redelijke termijn voor bezwaar en beroep was overschreden, wat recht zou geven op immateriële schadevergoeding. De rechtbank erkende dat de totale procedure ruim twee jaar duurde, met een bezwaarfase van bijna tien maanden en een beroepsfase van ruim vijftien maanden. Desondanks vond de rechtbank de behandeling voortvarend genoeg gezien de complexiteit en de piekbelasting bij de gemeente, en wees het verzoek af.
De uitspraak benadrukt dat bij belastingzaken een langere termijn dan normaal kan worden geaccepteerd en dat een overschrijding niet automatisch leidt tot schadevergoeding. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.