ECLI:NL:HR:2011:BO5080
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- C. Schaap
- J.W.M. Tijnagel
- M.W.C. Feteris
- R.J. Koopman
- Rechtspraak.nl
Vernietiging hofuitspraak en verwijzing inzake vergoeding bij overschrijding redelijke termijn in belastinggeschil
Belanghebbende, een uitzendbureau, kreeg een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd over de periode 20 december 2001 tot en met 31 december 2002, met een boete. Na bezwaar en beroep bij rechtbank en hof werd het beroep ongegrond verklaard. Belanghebbende vorderde vergoeding voor de lange duur van de bezwaarprocedure.
Het hof oordeelde dat vergoeding alleen mogelijk is indien het hoger beroep gegrond wordt verklaard, en wees de schadevergoeding af. De Hoge Raad stelde dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd en vernietigde het arrest. De zaak werd verwezen naar het hof 's-Hertogenbosch voor beantwoording van de vraag of en in hoeverre de redelijke termijn is overschreden en of vergoeding moet worden toegekend.
De Hoge Raad benadrukte dat belastinggeschillen binnen een redelijke termijn moeten worden beslecht, aansluitend bij het rechtsbeginsel van rechtszekerheid en de jurisprudentie van het EHRM. Bij overschrijding van de redelijke termijn kan vergoeding van immateriële schade worden toegekend, met een uitgangspunt van € 500 per halfjaar overschrijding. De uitspraak werd op 10 juni 2011 in het openbaar gewezen.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard, het arrest van het hof vernietigd en de zaak verwezen voor nadere beoordeling van de overschrijding van de redelijke termijn en vergoeding.