ECLI:NL:RBBRE:2012:BY8794
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Proceskostenvergoeding in BPM-zaak wegens onjuiste toepassing besluit proceskosten bestuursrecht
In deze zaak stond de hoogte van de proceskostenvergoeding in een BPM-procedure centraal. Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen de BPM-heffing over een uit het buitenland afkomstige personenauto. De inspecteur kende een beperkte proceskostenvergoeding toe, maar paste daarbij onterecht lid 3 van artikel 2 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht toe.
De rechtbank oordeelde dat de inspecteur dit besluit niet correct had toegepast en dat het forfait van lid 1 van dat artikel gehanteerd moest worden. Daarbij werd rekening gehouden met het aantal samenhangende zaken in bezwaar en beroep, respectievelijk drie en acht zaken. De rechtbank stelde de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op circa €73 per zaak en voor de beroepsfase op circa €82 per zaak, wat resulteerde in een totale vergoeding van €155.
De rechtbank verwierp de stelling dat sprake was van ernstig onzorgvuldig handelen of een volstrekt onverdedigbaar standpunt van de inspecteur, mede omdat de Hoge Raad pas op 2 maart 2012 een relevante uitspraak deed over de strijdigheid van een BPM-bepaling met het EU-recht. De rechtbank wees ook een vergoeding voor de aanwezigheid van een deskundige ter zitting af, omdat die niet had bijgedragen aan de gegrondheid van het beroep.
De uitspraak werd op 6 november 2012 gedaan en is openbaar. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: De rechtbank kende een proceskostenvergoeding van €155 toe en vergoedde het griffierecht van €310 aan belanghebbende.