ECLI:NL:RBBRE:2012:BY8838
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J.W.M. Tijnagel
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over toepassing bedrijfsopvolgingsfaciliteit op nalatenschap 2006
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag recht van successie over de nalatenschap van zijn overleden ouder uit 2006, waarbij onder meer de toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit op het privévermogen aan de orde was.
De inspecteur had de waarde van de woning en latente inkomstenbelasting aangepast, wat leidde tot een hogere aanslag. Belanghebbende stelde dat de materiële inkomstenbelastingschuld van 25% in mindering mocht worden gebracht in plaats van de latente schuld van 6,25%, en dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit op de gehele nalatenschap van toepassing was, mede op grond van een eerdere uitspraak van de rechtbank Breda van 13 juli 2012.
De rechtbank oordeelde dat de materiële inkomstenbelastingschuld niet in mindering mag worden gebracht omdat de aanmerkelijkbelangheffing betrekking heeft op regulier dividend en niet op een fictieve vervreemding. Tevens kon belanghebbende zich niet beroepen op de eerdere uitspraak omdat die betrekking had op een latere wetswijziging die de faciliteit verhoogde naar 75%, terwijl in 2006 de regeling 60% bedroeg. De rechtbank vond geen strijd met het gelijkheidsbeginsel en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag recht van successie wordt ongegrond verklaard.