ECLI:NL:RBBRE:2012:BZ2575
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling navorderingsaanslag vermogensbelasting 1999 na vaststellingsovereenkomst en rechtmatigheid gegevensverwerking
Belanghebbende is geïdentificeerd als houder van buitenlandse bankrekeningen bij Van Lanschot Luxemburg op basis van gegevens verkregen via Belgische autoriteiten. Na een vragenbrief en het sluiten van een vaststellingsovereenkomst is een navorderingsaanslag vermogensbelasting 1999 opgelegd. Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag en stelde onder meer dat de gegevens onrechtmatig waren verkregen en niet authentiek waren.
De rechtbank oordeelt dat de gegevens rechtmatig zijn verkregen, mede gelet op de Richtlijn 77/799/EEG en jurisprudentie van de Hoge Raad. Ook de authenticiteit van de gegevens wordt bevestigd, mede doordat belanghebbende zelf soortgelijke informatie heeft verstrekt. De navorderingsaanslag is voortvarend opgelegd binnen de redelijke termijnen, waarbij de rechtbank rekening houdt met de complexiteit van het project en vertragingen veroorzaakt door belanghebbende zelf.
De rechtbank stelt vast dat er geen sprake is van wilsgebrek bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst en dat belanghebbende gebonden is aan de daarin opgenomen correcties en afspraken. Het niet afzonderlijk vermelden van heffingsrente en vergrijpboete op het aanslagbiljet leidt niet tot vernietiging van de aanslag. De opgelegde boete van 50% wordt passend geacht en reeds gematigd waar nodig. De rechtbank kent een immateriële schadevergoeding van € 1.000 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn door de inspecteur.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en de inspecteur wordt veroordeeld tot betaling van de immateriële schadevergoeding. De uitspraak is gedaan door de meervoudige belastingkamer van de rechtbank Breda op 4 december 2012.
Uitkomst: Het beroep tegen de navorderingsaanslag vermogensbelasting 1999 wordt ongegrond verklaard en een immateriële schadevergoeding van € 1.000 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.