Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.Procesverloop
2.Overwegingen
3.Beslissing
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen af;
- verklaart het beroep ongegrond.
Rechtbank Den Haag
Verzoeker, een Iraakse asielzoeker, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning in Nederland, welke werd afgewezen omdat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag op grond van de Dublinverordening. Verzoeker stelde dat het Poolse rechtssysteem onvoldoende bescherming biedt tegen indirect refoulement en dat zijn medische situatie een overdracht aan Polen in de weg staat.
De rechtbank overwoog dat Polen het overnameverzoek heeft aanvaard en dat verzoeker aannemelijk heeft gemaakt dat hij een visum heeft aangevraagd bij de Poolse autoriteiten. De enkele betwisting zonder bewijs werd onvoldoende geacht. De rechtbank verwierp het betoog dat het visum niet daadwerkelijk toegang tot Polen gaf, omdat de Dublinverordening alleen vereist dat toegang tot een lidstaat is verkregen.
Met betrekking tot de bescherming tegen refoulement oordeelde de rechtbank dat de rapporten en brieven onvoldoende grond bieden om te concluderen dat Polen zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. Het persoonlijke relaas van verzoeker was onvoldoende onderbouwd. Ook werd het beroep op bijzondere omstandigheden en medische situatie afgewezen wegens gebrek aan bewijs.
Het beroep had geen redelijke kans van slagen, het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen en het beroep werd ongegrond verklaard. De rechtbank legde geen kostenveroordeling op.
Uitkomst: Het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening tegen uitzetting naar Polen worden afgewezen en het beroep wordt ongegrond verklaard.