ECLI:NL:RBDHA:2014:16749
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Polen volgens Dublinverordening
Verzoeker, van Tsjetsjeense afkomst, diende op 5 maart 2014 een asielaanvraag in Nederland in. Deze werd bij besluit van 27 maart 2014 afgewezen omdat Polen volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag. Verzoeker stelde dat Polen zijn internationale verplichtingen niet nakomt en dat er risico is op detentie en uitzetting zonder effectief rechtsmiddel.
De voorzieningenrechter overwoog dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat Polen zijn verplichtingen nakomt. De aangevoerde rapporten en verklaringen boden onvoldoende concrete aanwijzingen voor een risico op schending van artikel 3 EVRM Pro of het Vluchtelingenverdrag. Ook is niet gebleken dat verzoeker geen effectief rechtsmiddel heeft in Polen.
Verder werd erkend dat verweerder niet zorgvuldig handelde door het dossier niet aan de gemachtigde te verstrekken, maar dit leidde niet tot belangenverlies voor verzoeker. Nader onderzoek werd niet nodig geacht en het beroep werd ongegrond verklaard. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.