Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen:
Procesverloop
Overwegingen
- moord, doodslag of terroristische activiteiten zoals omschreven in het Europees Verdrag ter bestrijding van terrorisme van 1977. […];
- oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid, verkrachting, foltering (inclusief het besnijden van vrouwen, zie ook C2/3), genocide, slavernij en slavenhandel. […]
- handelingen die expliciet zijn genoemd door het Internationaal Hof van Justitie, de Algemene Vergadering of de Veiligheidsraad van de VN als strijdig met de doelstellingen en/of beginselen van de VN; hieronder valt onder meer internationaal terrorisme, zoals bijvoorbeeld is verklaard in resolutie 1373 van de Veiligheidsraad van de VN van 28 september 2001; en
- misdrijven die strafbaar zijn gesteld in het internationaal recht en waarvoor universele jurisdictie geldt, zoals oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid en misdrijven tegen de vrede; dergelijke misdrijven zijn evident in strijd met één of meerdere doelstellingen en/of beginselen van de VN.
Beoordeling door de rechtbank
verplichtingvoor verweerder kent om eiser, bij afwijzing van zijn asielaanvraag, uit te zetten. Mocht de asielaanvraag van eiser worden afgewezen, dan staat artikel 45 van Pro de Vw 2000 derhalve niet aan uitzetting door het ICC ter nakoming van de ten aanzien van de DRC aangegane verplichtingen in de weg. De rechtbank beperkt zich hierna dan ook tot beoordeling van de vraag of verweerder, zoals wordt gesteld, niet bevoegd is rechtmatig verblijf toe te kennen.
de vrijheidsontneming zelf.Een verdergaande rechtsmacht van het ICC (en daarmee beperking van de rechtsmacht van Nederland) is uit dit artikel, zoals reeds overwogen in de uitspraak van 28 december 2012, niet af te leiden. De rechtbank vindt hiervoor steun in de uitspraak van het ICC van 9 juni 2011 (ICC-01/04-01/07) in de zaak [C] en [D], waarin het ICC Nederland opdraagt in het kader van het refoulementverbod mogelijke risico’s bij terugkeer naar de DRC te onderzoeken. Het ICC overweegt te dien aanzien in overweging 64 allereerst dat dat niet aan het ICC is, nu het ICC niet over een eigen grondgebied beschikt zodat het ook niet daadwerkelijk het refoulementverbod kan toepassen en evenmin een staat kan dwingen iemand die het refoulement verbod inroept op zijn grondgebied te ontvangen. Voorts overweegt het ICC aan het slot van die overweging als volgt: “In this case, it is therefore incumbent upon the Dutch authorities, and them alone, to assess the extent of
their(onderstreping rechtbank) obligations under the
non refoulementprinciple, should the need arise”. De rechtbank leidt hieruit af dat het ICC van oordeel is dat Nederland op haar grondgebied aan een refoulementverbod uitvoering zal moeten geven
.Daaruit blijkt volgens verweerder dat de buiten de officiële gevangenissen en detentiekampen er in de DRC tussen 1998-2005 nog vele andere locaties werden gebruikt om mensen te detineren en die werden beheerd door de veiligheidsdiensten. Daar was de algehele situatie veel slechter dan in de gevangenissen en ook werden mensen daar veelal buitengerechtelijk vastgehouden. Volgens verweerder blijkt uit de rapporten verder dat martelmethodes die daar mede door de ANR werden toegepast, bestonden uit slaan met geweren of stokken, met palmolie overgieten en op kolenvuur laten zitten, de voeten met een hamer vermorzelen, het onthouden van voedsel, op het hoofd slaan met geweereinden, elektrische schokken toepassen en lege graven tonen aan gevangenen en melden dat dit graf voor hem/haar bedoeld is.