ECLI:NL:RBDHA:2014:6711
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning wegens onvoldoende bewijs artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag
Eiser, afkomstig uit de Democratische Republiek Congo, verzocht om een verblijfsvergunning die werd afgewezen op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag vanwege vermeende betrokkenheid bij ernstige misdrijven binnen verschillende Congolese milities. Verweerder stelde dat eiser als militair leider en voorzitter van de MRC verantwoordelijk was voor misdrijven zoals moord, foltering en het inzetten van kindsoldaten.
De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende concreet had aangetoond dat eiser persoonlijk of via zijn positie binnen de FNI, FRPI of MRC zeggenschap en controle had over de gepleegde misdrijven. De bronnen waren onvoldoende specifiek naar tijd en plaats en verweerder had nagelaten nader onderzoek te verrichten, onder meer naar de datum en reden van opname van eiser op de VN-sanctielijst en naar de betrouwbaarheid van de beschuldigingen.
Daarnaast stelde de rechtbank vast dat het opleggen van een onmiddellijke vertrekplicht aan eiser in strijd was met de bescherming die het ICC hem bood en dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd dat terugkeer naar de DRC geen reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro opleverde. De rechtbank vernietigde het besluit en gaf verweerder twaalf weken om een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt vernietigd wegens onvoldoende concrete motivering en gebrekkig onderzoek.