Uitspraak
Rechtbank Den Haag
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2013 in de zaak tussen
[C], te [plaats D], belanghebbende.
Rechtbank Den Haag
De zaak betreft een beroep tegen het besluit van het UWV om de aanvraag van een WIA-uitkering af te wijzen omdat de werknemer de wettelijke wachttijd van 104 weken niet heeft doorlopen. De werknemer was ziek gemeld wegens cardiale klachten en later door een verkeersongeval arbeidsongeschikt geworden. Een deskundigenoordeel van het UWV, bevestigd door de kantonrechter, stelde vast dat de werknemer gedurende de wachttijd geschikt was voor zijn eigen werk.
De werkgever betwistte de uitkomst van het deskundigenoordeel en voerde aan dat het UWV een eigen onderzoeksplicht had. De rechtbank oordeelde echter dat het UWV in dit geval mocht afgaan op het deskundigenoordeel en het vonnis van de kantonrechter, omdat deze procedure voorziet in een gedegen onderzoek door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige en de rechterlijke uitspraak onherroepelijk is.
De rechtbank concludeerde dat de wachttijd op 27 september 2010 is gestuit en dat de werknemer daardoor niet aanspraak kan maken op een WIA-uitkering. Het bezwaar van de werkgever tegen het besluit van het UWV werd ongegrond verklaard en het beroep werd verworpen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de WIA-uitkering wegens niet doorlopen wachttijd wordt ongegrond verklaard.