Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
de inspecteur van de Belastingdienst[te P], verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Feiten
€ 85.430
€ 125.000
Rechtbank Den Haag
Eiseres en haar echtgenoot exploiteerden vanaf 1975 een drogisterij op de benedenverdieping van een pand, terwijl zij op de bovenverdieping woonden. In 1990 werd het pand gekocht, waarbij de bovenverdieping leegstond en geen woonbehoefte diende. De bovenverdieping werd vanaf dat moment tot het ondernemingsvermogen gerekend en vanaf 1991 verhuurd. In 1997 werd het pand ingebracht in een vennootschap onder firma. De onderneming werd in 2008 gestaakt.
De kern van het geschil betrof de vraag of de bovenverdieping terecht tot het ondernemingsvermogen werd gerekend tot het moment van staking. Eiseres stelde primair dat de bovenverdieping tot het privévermogen had moeten behoren, subsidiair dat het vertrouwensbeginsel was geschonden en meer subsidiair dat een bijzondere omstandigheid een keuzeherziening rechtvaardigde.
De rechtbank stelde vast dat de bovenverdieping bij aankoop leeg stond en niet voor woonbehoefte of onderneming werd gebruikt, zodat sprake was van keuzevermogen. De keuze om de bovenverdieping tot het ondernemingsvermogen te rekenen was toegestaan en consistent toegepast. Het primaire standpunt van eiseres faalde op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad. De bijzondere omstandigheid en het beroep op het vertrouwensbeginsel werden eveneens verworpen wegens gebrek aan feitelijke grondslagen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen zoals vastgesteld door verweerder. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting wordt bevestigd.