Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
de inspecteur van de Belastingdienst[te P], verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Feiten
€ 85.430
Rechtbank Den Haag
Eiser en zijn echtgenote woonden van 1975 tot 1980 op de bovenverdieping van een pand met eigen voorzieningen en exploiteerden vanaf 1975 een drogisterij op de benedenverdieping. In 1990 werd het pand gekocht en als ondernemingsvermogen aangemerkt, inclusief de bovenverdieping die vanaf 1991 werd verhuurd. In 1997 richtten zij een vennootschap onder firma op waarin het pand werd ingebracht. In 2008 werd de onderneming gestaakt, waarbij verweerder de stakingswinst verhoogde door de bovenverdieping tot het ondernemingsvermogen te rekenen.
De rechtbank stelt vast dat de bovenverdieping bij aankoop leeg stond en niet voor privégebruik of onderneming werd gebruikt, waardoor sprake was van keuzevermogen. Eiser koos ervoor de bovenverdieping tot het ondernemingsvermogen te rekenen, wat volgens de rechtbank niet onredelijk is. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat eiser geen feiten heeft aangevoerd die een dergelijk vertrouwen rechtvaardigen.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft gehandhaafd. Proceskosten worden niet toegewezen. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Rechtbank Den Haag op 16 mei 2013.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting blijft gehandhaafd.