ECLI:NL:RBDHA:2013:BY8831
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen terugkeerbesluit op grond van Unierecht verblijfsrechten
Verzoeker, gehuwd met een Spaanse EU-burger die in Nederland verblijft, werd bij besluit van 16 november 2012 opgedragen de EU te verlaten wegens een eerdere ongewenstverklaring. Verzoeker stelde dat hij verblijfsrechten ontleent aan Richtlijn 2004/38/EG als familielid van een EU-burger, hetgeen verweerder onvoldoende heeft onderzocht.
De voorzieningenrechter overwoog dat burgers van de Unie en hun familieleden verblijfsrechten rechtstreeks ontlenen aan het Unierecht en dat de Terugkeerrichtlijn niet op hen van toepassing is. Verweerder had, gelet op de bekende feiten, moeten onderzoeken of verzoeker rechtmatig in Nederland verblijft op grond van het Unierecht, maar het terugkeerbesluit toont geen bewijs van een dergelijk onderzoek.
Hoewel verzoeker ten tijde van het besluit geen geldig paspoort kon tonen, achtte de voorzieningenrechter dit onder de omstandigheden niet doorslaggevend. Gezien het ontbreken van een concreet uitzettingsmoment en het spoedeisend belang, werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, het terugkeerbesluit geschorst en de uitzetting verboden totdat de rechtbank op het beroep beslist. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen, het terugkeerbesluit geschorst en uitzetting verboden totdat de rechtbank op het beroep beslist.