ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ5074
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- G.P. van Ham
- D.H. von Maltzahn
- A.M. Brakel
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot vaststelling Nederlandse nationaliteit wegens gebruik valse persoonsgegevens bij naturalisatie
Verzoekers, waaronder een vader en zijn minderjarige kinderen, hebben verzocht om vaststelling dat zij de Nederlandse nationaliteit bezitten. De IND stelde dat verzoekers bij hun naturalisatieverzoeken gebruik hebben gemaakt van valse of fictieve persoonsgegevens, waardoor zij het Nederlanderschap niet hebben verkregen.
De rechtbank overwoog dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad naturalisatiebesluiten met valse persoonsgegevens, indien genomen vóór 1 april 2003, geen rechtsgevolg hebben en het Nederlanderschap niet wordt verkregen. Verzoekers erkenden het gebruik van valse personalia, maar voerden aan dat het onderscheid tussen besluiten voor en na die datum onrechtvaardig is en in strijd met het EVRM en Unierecht.
De rechtbank verwierp deze stellingen, oordeelde dat het recht op nationaliteit niet onder het EVRM valt en dat de wetgever het onderscheid gerechtvaardigd heeft. Er waren geen bijzondere omstandigheden die de identificatie van verzoekers voldoende maakten. Daarom werd het verzoek afgewezen en werd vastgesteld dat verzoekers nooit de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap wordt afgewezen omdat naturalisatiebesluiten met valse persoonsgegevens geen rechtsgevolg hebben.