ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ9573
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- G.J. Ebbeling
- T. van Rij
- K.M. Braun
- Rechtspraak.nl
Vernietiging naheffingsaanslag BPM wegens prematuur opleggen vóór kentekenregistratie
Eiser heeft in maart 2011 BPM betaald voor een personenauto en ontving daarop een naheffingsaanslag van de Belastingdienst. De naheffingsaanslag werd opgelegd op 9 maart 2011, terwijl het kenteken nog niet op naam van eiser was gesteld. De rechtbank oordeelt dat op grond van artikel 20 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) een naheffingsaanslag pas kan worden opgelegd nadat de registratie van het kenteken heeft plaatsgevonden.
De rechtbank stelt vast dat de naheffingsaanslag prematuur is opgelegd en vernietigt deze. Daarnaast is het geschil over de hoogte van de verschuldigde BPM aan de hand van de aangifte en de teruggaaf in bezwaar deels ongegrond verklaard. Het beroep tegen de heffingsrente wordt ontvankelijk verklaard, maar ongegrond wegens onvoldoende bewijs van een afwijkend beleid van verweerder.
Verder oordeelt de rechtbank dat de kostenvergoeding in bezwaar terecht is vastgesteld op € 54,50 per bezwaarschrift vanwege samenhang, maar dat de proceskostenvergoeding in beroep wordt vastgesteld op € 236 om recht te doen aan de belangen van eiser. De rechtbank veroordeelt verweerder tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het beroep wordt gegrond verklaard voor zover het gericht is tegen de naheffingsaanslag en ongegrond voor zover het betrekking heeft op de voldoening op aangifte, heffingsrente en kostenvergoeding.
Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt vernietigd omdat deze prematuur is opgelegd vóór kentekenregistratie.