ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ6152
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling naheffingsaanslag BPM bij te lage aangifte en bevoegdheid inspecteur
Belanghebbende heeft voor een personenauto een te lage BPM-aangifte gedaan, waarbij de inspecteur de auto als nieuw heeft aangemerkt en de BPM hoger heeft vastgesteld. De rechtbank stelt vast dat de inspecteur op grond van redelijke wetstoepassing bevoegd is om het verschil via een naheffingsaanslag te innen, ook als op dat moment nog geen betaling heeft plaatsgevonden.
Belanghebbende voerde aan dat de auto als gebruikt moest worden aangemerkt en dat de inspecteur niet bevoegd was tot naheffing. De rechtbank oordeelt dat belanghebbende onvoldoende bewijs heeft geleverd voor het gebruikte karakter van de auto en dat de inspecteur terecht de auto als nieuw heeft aangemerkt. Tevens is de afgifte van het fiscaal akkoord door de inspecteur aan de RDW niet relevant voor de hoogte van de BPM en vormt dit geen beschikking waarover de rechter kan oordelen.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten. De uitspraak bevestigt dat de formele belastingschuld met de naheffingsaanslag en aangifte samen wordt vastgesteld overeenkomstig de materiële belastingschuld, en dat de inspecteur bij een te lage aangifte bevoegd is tot naheffing.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de naheffingsaanslag BPM van € 4.287.