ECLI:NL:RBDHA:2014:10363
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging afwijzing verblijfsvergunning wegens onvoldoende bewijs echtheid documenten en positieve overtuigingskracht
Eisers, staatlozen van voormalige Sovjet-Unie afkomst, vroegen asiel aan in Nederland na vlucht uit Azerbeidzjan, Armenië en Rusland. Verweerder wees hun aanvragen af op grond van vermoedens dat zij valse documenten hadden overgelegd en geen reisdocumenten konden tonen, waardoor hun identiteit en nationaliteit niet aannemelijk waren gemaakt.
De rechtbank oordeelt dat het proces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee slechts stelt dat de documenten 'waarschijnlijk niet echt' zijn, wat ook de mogelijkheid openlaat dat ze wel echt zijn. Daarmee is het onvoldoende om eisers opzettelijk valsheid te verwijten volgens artikel 31, tweede lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000. Ook is het ontbreken van reisdocumenten aan eiser en een kind redelijkerwijs toe te rekenen, maar verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het relaas geen positieve overtuigingskracht heeft.
Verweerder heeft ten onrechte uitsluitend op basis van de documenten geconcludeerd dat eisers hun identiteit en nationaliteit niet aannemelijk hebben gemaakt en heeft het asielrelaas niet inhoudelijk getoetst. De rechtbank verklaart de beroepen gegrond, vernietigt de bestreden besluiten en draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de verblijfsvergunningaanvragen en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen.