ECLI:NL:RVS:2008:BD1536
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toerekenbaarheid ontbreken reispapieren bij asielaanvraag minderjarige vreemdeling
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, waarin een vreemdeling werd beschermd tegen het negatieve oordeel over het ontbreken van reisdocumenten bij haar asielaanvraag. De vreemdeling, minderjarig en onder dwang naar Nederland gereisd, kon het ontbreken van haar documenten niet worden toegerekend. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris dit niet terecht had betwist.
De Raad van State bevestigt dat op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 het ontbreken van reisdocumenten niet aan de vreemdeling kan worden toegerekend wanneer aannemelijk is gemaakt dat zij deze onder dwang heeft afgestaan en zij volledig meewerkt. De Raad stelt vast dat de staatssecretaris onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat het ontbreken van documenten niet aan de vreemdeling is toe te rekenen.
Verder oordeelt de Raad dat het ontbreken van gedetailleerde en verifieerbare verklaringen over de reisroute niet leidt tot een andere conclusie, omdat dergelijke verklaringen alleen relevant zijn indien eerst is vastgesteld dat het ontbreken van documenten de vreemdeling wel is toe te rekenen. De Raad bevestigt dat het toetsingskader van de minister onjuist was en verklaart het hoger beroep ongegrond. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.