Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 17 juli 2014
[eiser],
de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
Het procesverloop
De beoordeling
www.echr.coe.int), vormt artikel 14 van Pro het EVRM een aanvulling op de overige inhoudelijke bepalingen van het EVRM en is dit artikel slechts van toepassing in verband met de uitoefening van rechten en vrijheden zoals beschermd door die bepalingen. Nu het gemaakte leeftijdsonderscheid meebrengt dat eiser geen aanspraak maakt op een verblijfsvergunning op grond van de Kinderpardonregeling en op hem de plicht rust om Nederland te verlaten, waardoor hij zijn privéleven niet in Nederland kan uitoefenen, valt dit onderscheid binnen de werkingssfeer van artikel 8 van Pro het EVRM, zodat artikel 14 van Pro het EVRM van toepassing is.
heeftonttrokken aan het rijkstoezicht doet aan het voorgaande niet af, nu dit een ander toetsingskader betreft. Gelet op het voorgaande was verweerder op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 gehouden een inreisverbod uit te vaardigen. Eiser heeft niet gesteld dat zich een uitzondering genoemd in artikel 6.5 van het Vb 2000 voordoet, dan wel dat sprake is van humanitaire of andere redenen op grond waarvan verweerder had moeten afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod, zodat het standpunt van verweerder dat een inreisverbod wordt opgelegd voor de duur van twee jaar de toetsing in rechte kan doorstaan.