De zaak betreft de vraag of de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie terecht de verblijfskosten van een vreemdeling in Nederland bij de vervoerder, Belavia-Belarusian Airlines, in rekening heeft gebracht op grond van artikel 65, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
De vreemdeling, van Kameroense nationaliteit, werd vervoerd met een vervalste Belgische verblijfsvergunning en kreeg uiteindelijk de toegang tot Nederland geweigerd. De vervoerder had meerdere malen contact gezocht met de Nederlandse autoriteiten voor instructies omtrent controle van documenten, maar ontving geen adequate informatie. Na aanwijzing tot terugvervoer door de Koninklijke Marechaussee werd het terugvervoer niet binnen redelijke tijd gerealiseerd, mede door weigering van de Wit-Russische autoriteiten de vreemdeling terug te nemen.
De rechtbank oordeelt dat de vervoerder gehouden is tot terugvervoer en dat de risicoaansprakelijkheid voor de kosten van verblijf en terugvervoer geldt, ongeacht het voortvarend handelen van de vervoerder. De doorberekening van de kosten is niet disproportioneel en de staatssecretaris heeft geen eigen schuld aan de vertraging. Het beroep tegen het tweede besluit wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang.