ECLI:NL:RBDHA:2014:13116
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang bij gezinshereniging meerderjarige kinderen
Eiser, van Syrische nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie waarbij hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelt ten onrechte niet als vluchteling te zijn erkend en beoogt gezinshereniging met zijn in Saoedi-Arabië verblijvende moeder via een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), die is afgewezen.
De rechtbank overweegt dat eiser geen belang heeft bij het beroep omdat het wettelijk stelsel en vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) bepalen dat een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 lid 1 onder Pro b niet in rechte onaantastbaar is ten aanzien van een weigering op grond van lid 1 onder a, maar dat procederen voor een hogere toelatingsgrond zoveel mogelijk moet worden voorkomen.
Verder oordeelt de rechtbank dat de Gezinsherenigingsrichtlijn (2003/86/EG) geen verplichting tot gezinshereniging tussen ouders en meerderjarige kinderen oplegt en dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat de richtlijn onjuist is geïmplementeerd. Ook artikel 8 EVRM Pro speelt volgens vaste jurisprudentie geen aanvullende rol bij de beoordeling van de aanvraag gezinshereniging in dit kader.
De rechtbank concludeert dat eiser geen belang heeft bij het beroep en verklaart het niet-ontvankelijk. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman op 22 oktober 2014.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang bij de aanvraag gezinshereniging.