Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 24 september 2014 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., gevestigd te [X 1], eiseres
[P], kantoor [Z], verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
€ 2.431.439
€ 4.202.537
€ 46.449
Rechtbank Den Haag
Eiseres bezat 100% van de aandelen in X bv en vormde tot 1 maart 2007 een fiscale eenheid met deze vennootschap. Voorafgaand aan de verbreking van de fiscale eenheid bracht eiseres haar onroerendezakenportefeuille in X bv in tegen uitreiking van aandelen, waarna zij deze aandelen binnen datzelfde jaar aan een derde verkocht.
De rechtbank moest beoordelen of de fusiefaciliteit van artikel 14, lid 1, Wet Vpb van toepassing was op de behaalde winst uit deze inbreng. Volgens artikel 14, lid 4, Wet Vpb geldt dat als aandelen binnen drie jaar na de inbreng aan een derde worden verkocht, zakelijke overwegingen worden vermoed afwezig, tenzij het tegendeel wordt bewezen. Eiseres slaagde er niet in dit te bewijzen.
De rechtbank vond dat al op 21 december 2006 was besloten tot verkoop van de onroerendezakenportefeuille, zodat voorafgaand geen wilsovereenstemming bestond over de inbreng. Ook het beroep op een arrest van de Hoge Raad uit 2009 faalde omdat de wilsovereenstemming niet voorafgaand aan het verkoopbesluit was bereikt.
Daarnaast verwierp de rechtbank het beroep op het vertrouwensbeginsel en het standpunt dat sprake was van belastinglatentie. Ook het betoog over onredelijke traagheid van de Belastingdienst werd afgewezen. De aanslag vennootschapsbelasting en de heffingsrente werden gehandhaafd en het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de aanslag vennootschapsbelasting inclusief heffingsrente.