ECLI:NL:RBDHA:2014:1486
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging subsidierelatie jeugdzorg vanwege stelselherziening niet onredelijk
De Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland om de subsidierelatie met ingang van 1 januari 2015 te beëindigen, vanwege de decentralisatie van de jeugdzorg naar gemeenten per die datum.
De rechtbank stelt vast dat de subsidierelatie een langdurige is op grond van de Wet op de jeugdzorg (Wjz) en dat artikel 4:51 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is, welke een redelijke termijn vereist bij beëindiging van subsidie na drie of meer jaren. De provincie heeft een termijn van ruim twee jaar gehanteerd, wat de rechtbank als redelijk beoordeelt.
Eiseres voerde aan dat het besluit prematuur was omdat de Jeugdwet nog niet definitief was en dat de redelijke termijn onvoldoende was om verplichtingen af te bouwen. De rechtbank oordeelt dat de stelselwijziging en de beleidslijnen al langere tijd bekend waren en dat de redelijke termijn ziet op de periode tot het einde van de subsidierelatie, niet daarna. De verantwoordelijkheid voor afbouw ligt bij eiseres zelf.
Verder is geoordeeld dat de provincie niet verplicht is een overgangsregeling of vergoeding van frictiekosten te treffen. De provincie vervult haar rol in het overgangsproces naar behoren. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland tegen de beëindiging van de subsidierelatie wordt ongegrond verklaard.