Het college van Gedeputeerde Staten van Utrecht kondigde per brief van 12 december 2012 de beëindiging aan van de subsidierelatie met negen jeugdzorginstellingen per 1 januari 2015, in het kader van de decentralisatie van jeugdzorg naar gemeenten. Eiseressen maakten bezwaar tegen deze beslissing, waarna het college bij besluit van 29 oktober 2013 de bezwaren ongegrond verklaarde.
De rechtbank beoordeelde eerst de ontvankelijkheid van de bezwaren van eiseressen 8 en 9 en oordeelde dat de brief van 12 december 2012 het primaire besluit vormde. Omdat deze twee eiseressen hun bezwaren niet tijdig hadden ingediend, verklaarde de rechtbank hun bezwaren niet-ontvankelijk en vernietigde het bestreden besluit voor zover het hun betrof.
Voor de overige eiseressen (1 tot en met 7) oordeelde de rechtbank dat de beëindiging van de subsidierelatie gerechtvaardigd was op grond van veranderde omstandigheden en gewijzigde inzichten door de stelselherziening, waarbij een redelijke termijn van meer dan twee jaar in acht was genomen. De rechtbank verwierp hun beroep dat het college zijn wettelijke taak op grond van de Wet op de jeugdzorg zou schenden en dat er onvoldoende zorgvuldigheid was betracht in het overgangsproces.
De rechtbank veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten aan eiseressen 8 en 9 en wees de beroepen van de overige eiseressen af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.