ECLI:NL:RBMNE:2014:3992
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- R.J. Praamstra
- G.C. van Gelein Vitringa-Boudewijnse
- M. ter Brugge
- Rechtspraak.nl
Beëindiging subsidierelatie Bureau Jeugdzorg Utrecht in kader stelselherziening jeugdzorg
Het college van Gedeputeerde Staten van Utrecht kondigde aan de subsidierelatie met Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht per 1 januari 2015 te beëindigen in het kader van de decentralisatie van jeugdzorg naar gemeenten. Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht stelde dat deze beëindiging in strijd was met de wettelijke plichten van het college, met name op grond van de Wet op de jeugdzorg (Wjz).
De rechtbank overwoog dat de brief van 12 december 2012 als besluit moet worden aangemerkt en dat de redelijke termijn van artikel 4:51 Awb Pro is aangevangen. De subsidierelatie kon worden beëindigd vanwege veranderde omstandigheden en gewijzigde inzichten, mede door de stelselherziening en het wetsvoorstel Jeugdwet dat al in een vergevorderd stadium was. De rechtbank verwierp het standpunt van eiseres dat de provincie gehouden was de subsidie voort te zetten zolang de Wjz van kracht was.
De rechtbank achtte de termijn van meer dan twee jaar voor beëindiging redelijk en vond dat verweerder zijn rol in het overgangsproces zorgvuldig invulde. De onzekerheid en het ontbreken van een vergoeding voor frictiekosten waren gerechtvaardigd gezien het lopende landelijke overleg en de regierol van het Rijk. Het beroep werd ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht tegen de beëindiging van de subsidierelatie wordt ongegrond verklaard.