Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser],
Procesverloop
Overwegingen
- een brief van 5 april 2013 van regioleider [naam 5];
- een doopcertificaat van 14 april 2013;
- een brief van 8 november 2013 van[naam 6];
- een brief van 11 november 2013 van[naam 7].
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Iraanse nationaliteit, diende meerdere asielaanvragen in Nederland in, waarbij hij stelde dat hij zich in Iran tot het christendom had bekeerd en homoseksueel was. Na eerdere afwijzingen en een intrekking van een aanvraag, diende hij op 23 april 2013 een herhaalde aanvraag in, ondersteund met een doopcertificaat en diverse brieven.
De rechtbank oordeelde dat het doopcertificaat een novum vormt, omdat het na de eerdere procedure dateert en niet op voorhand kan worden uitgesloten dat het afdoet aan het eerdere besluit. Desondanks stelde de rechtbank vast dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de bekering van eiser geen positieve overtuigingskracht heeft, omdat eiser onvoldoende helder, consistent en gedetailleerd kon verklaren over zijn innerlijke proces van bekering.
De rechtbank concludeerde dat de door eiser overgelegde brieven en getuigenverklaringen onvoldoende waren om het gebrek aan overtuigingskracht te compenseren. Ook werden hiaten in de verklaringen vastgesteld. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, en het opgelegde inreisverbod bleef van kracht.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond wegens onvoldoende positieve overtuigingskracht van de bekering en handhaaft het inreisverbod.