ECLI:NL:RBDHA:2014:9984
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens ontbreken reëel zicht op uitzetting
Eiser, van Algerijnse nationaliteit, werd op 10 februari 2014 in vreemdelingenbewaring gesteld. Hij stelde beroep in tegen deze vrijheidsontnemende maatregel en vorderde tevens schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 20 februari 2014.
De rechtbank constateerde dat verweerder onvoldoende had gedaan om te voorkomen dat eiser na zijn strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring zou worden geplaatst. Hoewel eiser een deel van de feiten betwistte, oordeelde de rechtbank dat voldoende feiten en omstandigheden aanwezig waren die het risico op het onttrekken aan toezicht en het belemmeren van uitzetting aannemelijk maakten.
Echter, verweerder kon niet aannemelijk maken dat er een reëel zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestond, mede omdat de Algerijnse autoriteiten niet zonder meer een laissez-passer verstrekken en verweerder geen recente informatie kon geven over het aantal afgegeven LP’s. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, beval onmiddellijke opheffing van de bewaring en kende eiser een schadevergoeding toe van €1.330,- plus proceskosten van €974,-.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en beveelt onmiddellijke opheffing van de vreemdelingenbewaring wegens ontbreken van aannemelijk zicht op uitzetting.