Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Procesverloop
Overwegingen
)5. De in het vierde lid bedoelde norm bedraagt bij een verblijfsduur van:
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Marokkaanse nationaliteit bezittende persoon die sinds 1980 rechtmatig in Nederland verblijft en sinds 1990 een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd heeft, werd geconfronteerd met intrekking van deze vergunning met terugwerkende kracht tot 2012 en een tienjarig inreisverbod. Dit besluit werd genomen vanwege zijn status als veelpleger en het gevaar dat hij vormt voor de openbare orde.
De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen de intrekking niet-ontvankelijk is omdat het inreisverbod het rechtmatig verblijf van eiser uitsluit. De beoordeling van de intrekking vindt daarom plaats binnen het kader van het inreisverbod. De rechtbank stelt vast dat eiser meerdere veroordelingen heeft, waaronder een gevangenisstraf van vijftien maanden voor diefstal met geweld in 1987, en dat de glijdende schaal van artikel 3.86 Vreemdelingenbesluit 2000 correct is toegepast.
Eiser voerde aan dat hij rechtmatig verblijf had opgebouwd en dat het afschaffen van de twintigjaarstermijn in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, en dat zijn persoonlijke omstandigheden en familiebanden zwaarder hadden moeten wegen. De rechtbank verwerpt deze argumenten en stelt dat verweerder bevoegd was het inreisverbod op te leggen, mede gelet op de belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro.
Het beroep tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Beroep tegen intrekking verblijfsvergunning niet-ontvankelijk; beroep tegen inreisverbod ongegrond verklaard.