ECLI:NL:RBDHA:2015:10691
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Hongarije
Eiseres, van Iraanse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning die door de staatssecretaris werd afgewezen omdat Hongarije verantwoordelijk was voor de behandeling van haar asielverzoek. De rechtbank toetste het besluit volledig en ex nunc op grond van de gewijzigde Vreemdelingenwet 2000 en de toepasselijke EU-verordening.
Eiseres voerde aan dat Nederland de aanvraag had moeten behandelen omdat Hongarije niet aan zijn verplichtingen voldoet en dat overdracht zou leiden tot schending van artikel 3 EVRM Pro. Zij onderbouwde dit met rapporten en eigen ervaringen over de slechte opvang en asielprocedure in Hongarije.
De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat Hongarije verantwoordelijk is, mede gelet op het arrest van het Hof van Justitie en eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak. De rechtbank vond onvoldoende bewijs dat de situatie in Hongarije zodanig is verslechterd dat overdracht een schending van artikel 3 EVRM Pro oplevert.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank wees erop dat de asielprocedure in Hongarije zal worden voortgezet en dat eiseres geen concrete aanwijzingen had geleverd dat zij aan Servië zou worden overgedragen.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.