ECLI:NL:RVS:2014:4617
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling verantwoordelijke lidstaat en afwijzing verblijfsvergunning asiel na hoger beroep
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees op 19 september 2014 een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die het beroep gegrond verklaarde, maar naliet het besluit te vernietigen. De staatssecretaris ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris niet in overeenstemming had gehandeld met artikel 3.118a van het Vreemdelingenbesluit 2000. Vervolgens werd het beroep van de vreemdeling inhoudelijk getoetst. De Raad verwierp het beroep op het voorkennisvereiste bij overnameverzoeken, het beroep op het vertrouwensbeginsel met betrekking tot Italië, en het beroep op het gelijkheidsbeginsel wegens onvoldoende onderbouwing.
Verder bevestigde de Raad dat de vreemdeling niet kan opkomen tegen de toepassing van het criterium dat Italië als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen, aangezien Italië met het overnameverzoek heeft ingestemd. De aangevoerde systematische tekortkomingen in het Italiaanse asielstelsel werden onvoldoende aannemelijk gemaakt om hiervan af te wijken.
De Raad verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard en het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond.