Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[naam] ,
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
Procesverloop
Overwegingen
Wettelijk kader
a) de verzoeker bij de indiening van zijn verzoek en de toelichting van de feiten alleen aangelegenheden aan de orde heeft gesteld die niet ter zake doen om uit te maken of hij in aanmerking komt voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet overeenkomstig Richtlijn 2011/95/EU; of
In het tweede lid is bepaald dat de lidstaten een verzoek om internationale bescherming alleen als niet-ontvankelijk kunnen beschouwen wanneer:
a) een andere lidstaat internationale bescherming heeft toegekend;
b) een land dat geen lidstaat is, ingevolge artikel 35 voor Pro de verzoeker als eerste land van asiel wordt beschouwd;
c) een land dat geen lidstaat is, uit hoofde van artikel 38 voor Pro de verzoeker als veilig derde land wordt beschouwd;
d) het verzoek een volgend verzoek is en er geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen of door de verzoeker werden voorgelegd in verband met de behandeling van de vraag of hij voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet in aanmerking komt overeenkomstig Richtlijn 2011/95/EU; of
b) de inhoud van een verzoek in een procedure krachtens artikel 31, lid 8.
In het zevende lid van dit artikel bedraagt de duur van de grensprocedure ten hoogste vier weken, te rekenen vanaf het tijdstip van uitreiking van het besluit, bedoeld in het vijfde lid. Indien vier weken na de uitreiking van het besluit, bedoeld in het vijfde lid, nog niet is beslist over het in behandeling nemen, de ontvankelijkheid of kennelijke ongegrondheid van de aanvraag, verkrijgt de vreemdeling van rechtswege toegang tot Nederland.
f. de vreemdeling zijn aanvraag enkel heeft ingediend teneinde zijn uitzetting of overdracht uit te stellen of te verijdelen;
In het derde lid van dit artikel is bepaald dat, indien naar het oordeel van Onze Minister geen sprake is van een aanvraag waarop vermoedelijk zal worden besloten tot toepassing van artikel 30, 30a of 30b van de Wet, de behandeling van de aanvraag wordt voortgezet onder opheffing van de maatregel, bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Wet.
Ten aanzien van het beroep tegen het uitstellen van de toegangsweigering
- niet in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding en/of in het bezit is van een document voor grensoverschrijding waarin het benodigde visum ontbreekt;
- niet beschikt over voldoende middelen om te voorzien zowel in de kosten van verblijf in Nederland als in die van zijn reis naar een plaats buiten Nederland waar zijn toegang gewaarborgd is.
De beroepsgrond slaagt niet.
De beroepsgrond faalt.
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.