Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2015 in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
17 september 2014 en dat verweerder heeft geweigerd om nader uitstel te verlenen totdat de informatie van de Hongaarse autoriteiten is verkregen. Daarbij is ook van belang dat de bezwaarprocedure in Nederland wordt gevoerd. Van verweerder mag dan ook verwacht worden dat hij in elk geval de gegevens verstrekt op grond waarvan verweerder de aanvraag heeft afgewezen dan wel uitstel geeft om de gronden van bezwaar aan te vullen totdat de informatie is verkregen van de Hongaarse autoriteiten. Op deze wijze kan eiser geen deugdelijke bezwaarprocedure voeren. Het bestreden besluit is onzorgvuldig tot stand gekomen en in strijd met het motiveringsbeginsel. Tevens acht eiser het bestreden besluit in strijd met het verdedigingsbeginsel zoals bedoeld in artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest).
8 september 2014 heeft meegedeeld dat Hongarije na consultatie heeft aangegeven bezwaar te hebben tegen visumafgifte en dat verweerder eiser bij e-mailbericht van
17 september 2014 een lijst heeft toegezonden met namen van landen, op welke lijst – kort gezegd – staat vermeld dat Hongarije bewaar heeft. De rechtbank gaat met verweerder ervan uit dat die lijst betrekking heeft op de aanvraag van eiser en dat Hongarije dus bezwaar heeft tegen de afgifte van het door eiser gevraagde visum. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van eiser dat niet vaststaat dat Hongarije bezwaar heeft omdat het dossier daarvoor geen aanknopingspunten biedt en meer in het bijzonder uit de lijst niet blijkt dat die betrekking heeft op de aanvraag van eiser, aangezien eiser deze stelling eerst ter zitting van de rechtbank en dus te laat heeft geponeerd. Dat eiser in de gronden van beroep heeft verzocht hetgeen in de primaire besluitvorming en tijdens de bezwaarfase naar voren gebracht is als herhaald en ingelast te beschouwen, maakt dat niet anders, reeds omdat eiser evenbedoelde stelling niet meer heeft betrokken nadat verweerder hem had bericht dat Hongarije bezwaar heeft tegen afgifte van het gevraagde visum en hem de lijst had toegezonden waaruit dit volgens verweerder blijkt. Indien eiser het standpunt van verweerder dat Hongarije bezwaar heeft tegen afgifte van het gevraagde visum in beroep ter discussie had willen stellen, had hij hiertegen een beroepsgrond moeten formuleren. Eiser heeft dat dus niet gedaan.
18 september 2014 heeft verweerder eiser in verband hiermee uitstel verleend tot
15 oktober 2014. Bij brief van 14 oktober 2014 heeft eiser wederom verzocht om uitstel voor het aanvullen van de gronden van bezwaar, omdat de Hongaarse autoriteiten nog niet hebben gereageerd op zijn verzoek en het hem om die reden niet mogelijk is zich te verweren tegen de afwijzing van het gevraagde visum. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de enkele omstandigheid dat de Hongaarse autoriteiten nog niet hebben gereageerd op het verzoek geen aanleiding hoeven zien eiser het gevraagde, althans nader uitstel te verlenen voor het aanvullen van de gronden van bezwaar, omdat het verzoek te onbepaald is. Eiser heeft in die brief immers geen melding gemaakt van nadere stappen om de gevraagde informatie van de Hongaarse autoriteiten te verkrijgen dan wel aangekondigd daartoe nadere stappen te zullen ondernemen. Ook ter zitting van de rechtbank is duidelijk geworden dat eiser weliswaar twee keer door middel van een email om informatie heeft verzocht bij de Hongaarse autoriteiten, maar dat eiser geen nadere stappen heeft ondernomen om die informatie (overeenkomstig de artikelen 38 en 40 van de VIS-verordening) te verkrijgen. Dat eiser voor het zetten van die stappen zijn gemachtigde zal moeten betalen, is geen verschoonbare reden om die stappen niet te zetten.
Beslissing
drs. J.A. Meijer-Habraken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
27 januari 2015.