ECLI:NL:RBDHA:2015:13969
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens onvoldoende onderzoek geldigheid Bulgaarse verblijfsvergunning asiel
Eiser, van Syrische nationaliteit, diende op 31 oktober 2014 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder wees deze aanvraag af op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat de Bulgaarse autoriteiten eiser op 5 februari 2009 subsidiaire bescherming hadden verleend, wat een sterke band met Bulgarije zou opleveren.
De rechtbank overwoog dat verweerder in beginsel mag afgaan op informatie van een andere lidstaat, maar onder omstandigheden een vergewisplicht heeft om te onderzoeken of de vreemdeling nog steeds over een geldige verblijfsvergunning beschikt. De brief van de Bulgaarse autoriteiten vermeldde alleen dat in 2009 subsidiaire bescherming was verleend, maar niet of deze nog steeds geldig is.
De rechtbank vond het van belang dat de Bulgaarse verblijfsvergunning meer dan vijf jaar geleden was verleend, eiser in 2009 naar Syrië was teruggekeerd en sindsdien niet meer in Bulgarije verbleef. Dit zijn omstandigheden die in Nederland een grond voor intrekking van een verblijfsvergunning vormen, waardoor twijfel bestaat over de geldigheid van de Bulgaarse verblijfsvergunning.
Daarom oordeelde de rechtbank dat verweerder onvoldoende onderzoek had gedaan en onvoldoende gemotiveerd had gesteld dat eiser nog steeds bescherming geniet in Bulgarije. Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen binnen twaalf weken.
De rechtbank wees het verzoek om een voorlopige voorziening af en veroordeelde verweerder in de proceskosten van €1.470.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende onderzoek naar de geldigheid van de Bulgaarse verblijfsvergunning.