ECLI:NL:RBDHA:2015:14415
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking verblijfsvergunning en oplegging inreisverbod wegens ernstige bedreiging openbare orde
Eiser, sinds 1993 houder van een verblijfsvergunning, kreeg deze in 2013 met terugwerkende kracht ingetrokken wegens een actuele en ernstige bedreiging van de openbare orde. Verweerder legde tevens een inreisverbod van tien jaar op. Eiser voerde aan dat de intrekking en het inreisverbod onrechtmatig waren, onder meer vanwege toepassing van artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000 en schending van artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank stelde vast dat eiser meerdere veroordelingen heeft voor ernstige misdrijven en dat de glijdende schaal van artikel 3.86 Vb 2000 correct is toegepast. De intrekking van de verblijfsvergunning en het inreisverbod zijn niet in strijd met het EVRM, mede omdat eiser geen erkend vluchteling is en geen medische behandeling ondergaat. Het beroep tegen de intrekking werd niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het inreisverbod ongegrond.
De rechtbank verwierp ook het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel, reformatio in peius, en de aanbevelingen van de Raad van Europa. Psychische klachten van eiser en het ontbreken van banden met Nederland wogen niet zwaarder dan het algemeen belang van openbare orde. Het verzoek tot terugstorting van griffierecht werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning niet-ontvankelijk.