ECLI:NL:RVS:2010:BN2265
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- S.J.E. Horstink von Meyenfeldt
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning en ongewenstverklaring op basis van buitenlandse veroordeling
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris tegen de uitspraak van de rechtbank die het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning van een vreemdeling vernietigde en de ongewenstverklaring handhaafde.
De vreemdeling was in Frankrijk veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf wegens opiumdelicten. De staatssecretaris verklaarde hem ongewenst op grond van artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en het beleid neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 2000. De rechtbank oordeelde dat het beleid niet in overeenstemming was met artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000 en dat de staatssecretaris onvoldoende had onderzocht welke straf een Nederlandse rechter zou opleggen.
De Raad van State oordeelt dat de staatssecretaris beoordelingsvrijheid heeft bij het verbinden van verblijfsrechtelijke gevolgen aan buitenlandse veroordelingen en dat het beleid niet strijdig is met de wet. Ook is het advies van de officier van justitie als deskundigenadvies zorgvuldig en voldoende gemotiveerd. De Raad verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep tegen intrekking van de verblijfsvergunning niet-ontvankelijk en het beroep tegen de ongewenstverklaring ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen intrekking van de verblijfsvergunning wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen de ongewenstverklaring ongegrond.