De zaak betreft een beroep van een omwonende tegen een omgevingsvergunning verleend door het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan een vergunninghouder voor de bouw van een distributiecentrum en het in werking hebben van een inrichting voor de productie van consumptiemelk met een maximale melkverwerkingscapaciteit van 450 miljoen liter per jaar.
De eiser klaagde over geluidsoverlast van de inrichting, met name van compressoren op bulkwagens, en betwijfelde of de inrichting kon voldoen aan de maximaal toelaatbare geluidbelasting (MTG-waarde) voor zijn woning. De rechtbank constateerde dat de woning van eiser binnen de geluidzone ligt en dat de MTG-waarde op 55 dB(A) is vastgesteld. Uit een akoestisch onderzoek bleek dat de geluidbelasting binnen de wettelijke grenzen blijft, ook rekening houdend met het gebruik van uitpandige compressoren.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de geluidgrenswaarden niet zouden worden nageleefd. Ook eerdere hogere geluidmetingen boden volgens de rechtbank geen aanleiding om het akoestisch onderzoek in twijfel te trekken. De rechtbank stelde dat eventuele overschrijding een handhavingskwestie is.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 15 december 2015.