Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Uitspraak van de meervoudige kamer van 17 februari 2015
[eiser 1] (eiser 1),geboren op [geboortedatum],v-nummer [nummer],
v-nummer [nummer],
[eiser 2] (eiser 2),
geboren op [geboortedatum],
v-nummer [nummer],
de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
Het procesverloop
Bij uitspraak van 18 maart 2014 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht (zaaknummers AWB 13/23569, 13/23571, 13/23572 en 13/23574) het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
De beoordeling
a. de vreemdeling vormt een gevaar voor de openbare orde (inclusief artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag) of de nationale veiligheid.
Daarbij merkt de rechtbank nog op dat, anders dan eisers hebben gesteld en in afwijking van hetgeen deze rechtbank, zittingsplaats Groningen in haar uitspraak van 5 december 2014 heeft geoordeeld, uit voornoemde antwoorden van verweerder van 14 april 2014 naar het oordeel van de rechtbank weliswaar blijkt dat het tien-jarenbeleid op reguliere aanvragen van toepassing is, maar dat dit niet geldt voor aanvragen op grond van de Regeling.
In dit kader hebben eisers aangevoerd dat hun aanvragen enkel zijn afgewezen, vanwege de op eiser 2 van toepassing geachte contra-indicatie. Derhalve dienen zij te worden aangemerkt als grensgeval. Uit diverse parlementaire stukken blijkt dat verweerder heeft toegezegd dat hij in dergelijke gevallen gebruik zal maken van zijn discretionaire bevoegdheid. Dat verweerder van deze bevoegdheid gebruik maakt, blijkt bovendien uit verschillende, door eisers in beroep aangehaalde nieuwsberichten. In dit kader doen eisers dan ook een beroep op het gelijkheidsbeginsel.
Ten aanzien van artikel 4:84 van Pro de Awb hebben eisers betoogd dat het vasthouden aan het mvv-vereiste in de onderhavige procedure leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Bij de belangenafweging dient betrokken te worden dat eisers langdurig in Nederland verblijven, eiser 1 en eiseres 1 volledig geïntegreerd zijn in de Nederlandse samenleving, de oudste dochter/ zus van eisers, [dochter/zus van eisers], in Nederland vermist is geraakt en eisers in Nederland onder behandeling staan voor hun psychische problemen, aldus eisers.
Het beroep op de discretionaire bevoegdheid van verweerder slaagt niet. Uit de uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2014 (ECLI:NL:RVS:2014: 3890), rechtsoverweging 6.3., volgt dat geen rechtsregel meebrengt dat een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in het kader van de Regeling tevens een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wegens bijzondere individuele omstandigheden impliceert. Dat verweerder in sommige gevallen aanleiding heeft gezien om ambtshalve een zodanige verblijfsvergunning te verlenen, laat onverlet dat hij daartoe niet verplicht is en dat de vreemdelingen een daartoe strekkende aanvraag kunnen indienen. Gelet hierop slaagt het beroep op het gelijkheidsbeginsel evenmin.
Bovendien is in het bestreden besluit overwogen dat het handelen van de ouders ‘niet geheel aan de kinderen’ kan worden verweten wegens hun minderjarigheid, maar verweerder heeft niet gemotiveerd wat eiser 1 en eiseres 1 wel kan worden verweten en waarom. Dat eisers hier lang zonder verblijfsrecht hebben verbleven mag volgens hen geen doorslaggevend element vormen in de belangenafweging. Eisers wijzen in dit kader op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 10 oktober 2011 (ECLI:NL:RBSGR:2011:25440), die de Afdeling op 7 maart 2013 (zaak nr. 201111613/1/V3, www.raadvanstate.nl) heeft bevestigd.
Voorts hebben eisers, onder verwijzing naar de arresten van het EHRM Neulinger en Shuruk t. Zwitserland van 6 juli 2010 ( nr. 41615/07) en Jeunesse t. Nederland van 3 oktober 2014 (nr. 12738/10) betoogd dat verweerder de belangen van eiser 1 en eiseres 1 als kinderen onvoldoende dan wel onvoldoende kenbaar bij de besluitvorming heeft betrokken.
De rechtbank volgt verweerder voorts in zijn standpunt dat de verdwijning van [dochter/zus van eisers], hoe tragisch ook, geen objectieve belemmering oplevert. Verblijf van eisers hier te lande is in dit verband immers niet noodzakelijk. In de medische problemen van eiser 2 en eiseres 2 heeft verweerder evenmin aanleiding hoeven zien om eisers vrij te stellen van het mvv-vereiste. De enkele stelling van de behandelaars van Centrum ’45 in de brief van 29 maart 2013 dat bij terugkeer de psychische klachten van eiser 2 en eiseres 2 naar alle waarschijnlijkheid toe zullen nemen heeft verweerder onvoldoende kunnen achten, nu niet is gebleken dat dit de terugkeer naar het land van herkomst onmogelijk maakt.
Het betoog van eisers dat verweerder onvoldoende, dan wel onvoldoende kenbaar heeft getoetst aan de Boultif- en Üner- criteria kan naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de rechtmatig bevonden belangenafweging niet slagen.
Beslissing
- verklaart het beroep van eiser 2 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond.