ECLI:NL:RBDHA:2015:15969
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Geen recht op vrijstelling kwijtscheldingswinst wegens onvoldoende aannemelijkheid niet voor verwezenlijking vatbare rechten
Eiser, aandeelhouder van een vennootschap onder firma (v.o.f.), voerde in zijn aangifte inkomstenbelasting 2011 een bedrag aan kwijtscheldingswinst op dat voortkwam uit het prijsgeven van een schuld door een verbonden partij. Hij beriep zich op de vrijstelling van artikel 3.13 Wet IB 2001, die geldt voor voordelen uit het prijsgeven van niet voor verwezenlijking vatbare rechten.
De rechtbank stelde vast dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de schuld in 2011 niet voor verwezenlijking vatbaar was, bezien vanuit het perspectief van de crediteur. Ondanks het negatieve eigen vermogen van de v.o.f. waren de gerealiseerde omzet en winst van dien aard dat binnen een redelijke termijn de schuld kon worden afgelost.
Daarnaast achtte de rechtbank de latere verklaringen van de schuldeiser onvoldoende om de kwijtschelding te rechtvaardigen, mede omdat de schuld na 2011 nog deels werd afgelost en provisies werden uitgekeerd. Daarom werd het beroep van eiser ongegrond verklaard en werd de aanslag gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting wordt gehandhaafd.